Het is een groot misverstand
om te denken dat een ijstijd alleen maar extreem koud is. Juist de laatste ijstijd werd gekenmerkt door zeer grote temperatuurverschillen.
Koude perioden (de z.g. glacialen) werden afgewisseld door warmere perioden (de interglacialen). Maar ook tijdens zo'n glaciaal was de temperatuur niet constant. Ook daar was sprake van kortere koudere en kortere warmere perioden (resp. stadiaal en interstadiaal).
Een glaciaal duurde in het Pleistoceen minimaal 100.000 jaar, terwijl een interglaciaal veel korter duurde, zo'n 20.000 jaar.
Tijdens het laatste glaciaal, het Weichselien vielen grote delen van de Noordzee droog. Op de drooggevallen gronden vormden zich uitgebreide steppen, die bevolkt werden door grote, aan de koude aangepaste zoogdieren zoals wolharige mammoeten, wolharige neushoorns, steppenpaarden, rendieren, bisons en muskusossen. Ook roofdieren leefden op die steppen, zoals de hyena, de leeuw en de wolf. In die tijde leefde er ook een sabeltandtijger in onze omgeving:
Homotherium. Na het Weichselien, aan het begin van het Holoceen begon de aarde op te warmen en de ijskappen begonnen te smelten (een proces dat nog steeds aan de gang is !), en de Noordzee, die tijdens de ijskapvorming was drooggevallen overstroomde weer. Het bewijs van de rijke fauna die eens de Noordzeebodem bevolkte is overtuigend: al meer dan 100 jaar brengen de viskotters behalve vis ook vele kratten met fossielen aan land: Opgevist van de Noordzeebodem.