Zeker voor de warme perioden in het IJstijdvak, zoals het Tiglien, zijn er paralellen te trekken met de hedendaagse Serengeti: uitgestrekte savannelandschappen met coullisenbebossing, nauwelijks beinvloed door de mens. In de Serengeti leven grote kudden olifanten, neushoorns en grazers zoals zebra's, wildebeast en antilopen. Daar leven ook grote carnivoren zoals hyena's, leeuwen, panters en jachtluipaarden. Gedurende het Tiglien moet het landschap in onze omgeving er net zo hebben uitgezien, niet met olifanten, maar met andere slurfdragers, zoals de mastodont en de Zuidelijke mammoet, met Etruskische neushoorns en grote groepen grazers zoals paarden, runderen, antilopen en herten. In de nabijheid van die grazers waren ook hier carnivoren zoals hyena's, leeuwen en sabeltandtijgers. Van al deze dieren zijn fossielen teruggevonden of opgevist uit Noordzee of Oosterschelde.
Maar ook voor de koudste perioden valt zo'n vergelijking te maken. Geen olifanten, maar wolharige mammoeten, met een dikke vacht, aangepast aan de felle kou. Of de wolharige neushoorn, die eveneens was uitgerust met een dikke vacht. Daarnaast leefden er grote kuddes steppenpaarden, bisons, herten en rendieren, en ook in de koudste perioden waren er carnivoren in de nabijheid, zoals de grottenleeuw, de grottenhyena, de wolf en de sabeltandtijger.
De sabeltandtijger en de mastodont ontbreken in de Serengeti: Deze zijn gedurende het Pleistoceen uitgestorven.