Vroeg Pleistoceen uit de kleiputten van Tegelen.
Het Vroeg Pleistoceen begon zo'n 2,6 miljoen jaar geleden met het Prétiglien en eindigde ca 800.000 jaar geleden met het Bavelien. Gedurende het Vroeg Pleistoceen lag het noord-westelijk deel van Nederland onder de zeespiegel. Met name uit het
Tiglien is veel bekend. Het Tiglien is vernoemd naar de Limburgse gemeente Tegelen. In de omgeving vanTegelen zijn door de Rijn grote paketten klei afgezet. Deze klei wordt al sinds de Romeinse tijd gewonnen. De Romeinen maakten er dakpannen (tegula) van. Ook na de Romeinse tijd werd de klei gewonnen voor de vervaardiging van potten en vaatwerk, dakpannen en bakstenen. Ook in het begin van de vorige eeuw werd nog op grote schaal klei ontgonnen in verschillende groeven ten behoeve van de productie van bakstenen voor de bouw van fabrieksschoorstenen. Bij deze ontginning, die vooral met de spade plaats vond, werden zeer vele fossielen gevonden en verzameld. De vondsten waren zo opzienbarend dat er geologisch tijdvak naar de Tegelse kleipakketten is genoemd:
het Tiglien.
De enorme rijkdom aan fossielen in de Tegelse klei trok ook de belangstelling van de wetenschap. Omstreeks 1900 raakte
Eugène Dubois, die zijn sporen al verdiend had door de ontdekking van de Javamens, geinteresseerd in de fossielen uit de omgeving van Tegelen. Hij onderhield contacten met een arts in opleiding, Laurens Steijns, die in de omgeving van Tegelen fossielen verzamelde, welke hij regelmatig naar Dubois zond. Er werd in de eerste helft van de vorige eeuw ook veel onderzoek naar de fauna van Tegelen verricht door assistenten van Dubois: Bernsen en Schreuder. Vanaf de jaren vijftig is er veel onderzoek gedaan door paleontologen van Rijksmuseum voor Geologie en Mineralogie te Leiden.
Het plantenleven van Tegelen is uitgebreid bestudeerd en beschreven door het Britse echtpaar C. en E. Reid. De fossiele planten en vruchten die in Tegelen zijn gevonden komen heden ten dage alleen in warmere gebieden voor. Professor Zagwijn verichtte onderzoek aan de pollen. Stuifmeelpollen zijn uitermate sterk en blijven als fossiel lange tijd bewaard. Daardoor zijn ze bij uitstek geschikt om te onderzoeken welke planten, bomen en struiken er in een bepaalde periode hebben geleefd.
Onderzoek aan de pollen, de zaden en vruchten en de zoogdiefossielen maakte het mogelijk om tot een landschapsreconstructie te komen. Het Tiglien, waarin de klei van Tegelen werd afgezet, was een relatief warme periode, waarin Limburg een subtropisch klimaat had. Uit de zoogdierfauna waaronder de zuidelijke mammoeten, herten, apen en neushoorns kan worden afgeleid dat er sprake moet zijn geweest van een bosachtig gebied, terwijl de vele pollen en vruchtjes van waterplanten en zoetwaterslakken wijst op een vochtige omgeving. Dat beeld wordt versterkt door het massaal voorkomen van de bever Trogontherium, en, minder frequent de bever Castor en de watermol.