Een van de meest in het oog springende kenmerken van sabeltandtijgers zijn de sterk verlengde bovenkaakshoektanden (caninen) waarmee hij zijn prooi dodelijke verwondingen kon toebrengen. Deze dodelijke wapens waren echter ook een kwetsbare plek: als die hoektanden afbraken, dan was de mogelijkheid om een prooi te slaan tot nihil gedaald en zou het dier van honger omkomen. Sabeltandtijgers als Machairodus, Smilodon en Homotherium waren in staat de grootste prooidieren te doden: jeugdige olifantachtigen. Verder stonden jonge neushoorns, paarden, herten en runderen op het menu