De vondst van een niet alledaags fossiel.

Kees van Hooijdonk
SAMENVATTING
In dit artikel wordt de vondst van een rechter hielbeen van de grote Machairodontine kat Homotherium latidens (Owen) gemeld. De vorm en afmetingen van het hielbeen worden vergeleken met het hielbeen van het door Ballesio (1963) beschreven skelet van Homotherium latidens. Tot slot wordt getracht iets over het voorkomen en de leefwijze van deze sabeltandtijger te vertellen.

SUMMARY
The find and the finding circumstances of a right calcaneum of big Machairodontinae Felid Homotherium cf. latidens (Owen) is announced. The dimensions are compared with those of a by Ballesio (1963) described specimen. Finally the occurrence and manner of life of the sabre toothed cat Homotherium is mentioned.



De vondst van het hielbeen
Van alle vleeseters spreekt de sabeltandtijger misschien nog wel het meest tot de verbeelding, en de vondst van een hielbeen van een sabeltandtijger mag dan ook zeker een bijzonderheid worden genoemd. Het woord sabeltandtijger moet overigens niet al te letterlijk worden genomen, omdat het nog maar de vraag is of deze katachtige meer verwant was met tijgers dan met leeuwen (Dawkins & Sandford, 1869)

Het in dit artikel beschreven hielbeen, is opgezogen door de zand- en schelpenzuiger "Eemshorn". Het is helaas niet precies bekend waar het is opgezogen omdat zowel in de Noordzee, ten noorden van Walcheren op de locatie Onrust (nabij de Ooster-scheldekering), als in de Westerschelde zand en schelpen gezogen worden. Maar gezien de veronderstelde Vroeg Pleistocene ouderdom van het hielbeen (waarover verderop in dit artikel wat uitgebreider wordt ingegaan) is de Noordzee bij de Onrust toch de meest voor de hand liggende locatie, omdat Vroeg Pleistocene formaties in dit gebied te verwachten zijn. Deze oude formaties zijn gedurende de Holocene transgressie weliswaar voor een belangrijk deel weggeërodeerd, maar de zwaardere elementen, zoals fossielen kunnen natuurlijk achter gebleven zijn, zodat ze bij het schelpenzuigen meekomen. Ook kunnen plaatselijk nog restanten van die Vroeg Pleistocene formaties aanwezig zijn, hetgeen onder meer wordt bevestigd doordat behalve het hielbeen van dezelfde locatie ook fossielen van Mammuthus meridionalis, Anancus avernensis, Dicerorhinus etruscus, Equus bressanus, Eucladoceros ctenoides, minstens nog een ongedetermineerd hert alsmede andere ongedetermineerde fossielen met dezelfde fossilisatiegraad afkomstig zijn. En gezien de geografische ligging van de locatie Onrust ten opzichte van de veelbeschreven Oosterschelde is verwantschap zeker niet denkbeeldig. Dit in tegenstelling tot de Westerschelde, waar nooit eerder fossielen van landzoogdieren met een vergelijkbare Vroeg Pleistocene ouderdom opgevist of gezogen zijn (Drees,1986)

Opmerkelijk aan dit hielbeen is de diepte waarop het is opgezogen. Fossielen van vergelijkbare ouderdom welke bijvoorbeeld met de "Kor en Bot"- tochten *) zijn opgevist in de Oosterschelde zijn over het algemeen afkomstig uit de diepere geulen, tot wel 40 meter toe. De fossielen welke door de zand- en schelpenzuiger "Eemshorn" worden gezogen zijn afkomstig van een diepte van hooguit 15 meter, de maximale zuigdiepte van de "Eemshorn". Daaruit zou kunnen worden geconcludeerd, dat afzettingen van Vroeg Pleistocene ouderdom zich in het Onrustgebied veel dichter aan de oppervlakte bevinden.

*) "Kor en Bot" is een fictief genootschap van wetenschappers, dat één dag per jaar met de daartoe door de familie Schot uit Zierikzee belangeloos ter beschikking van de wetenschap gestelde mosselkotter ZZ 8 naar fossielen gaat vissen (Mol en de Vos, 1995)

Beschrijving van het hielbeen.
Het opgezogen bot is het hielbeen van de rechtervoet. Het is compleet en zeer donkerbruin tot zwart van kleur, en behoorlijk zwaar gemineraliseerd. Er is echter geen sprake van een metaalachtig geluid wanneer men er met een hard voorwerp tegen tikt. Een metaalachtig geluid kan voor paleontologen een kenmerk zijn voor een zeer hoge ouderdom. De fossilisatiegraad komt overeen met die van de door Hooijer beschreven onderkaak. (pers.com. D. Mol, 1998). De vorm en afmetingen van het door mij gevonden hielbeen komen overeen met het hielbeen van een door Ballesio (1963) beschreven Homotherium latidens. Op dit hielbeen komt een extra facet of gewrichtsvlak voor, dat kenmerkend is voor sabeltandtijgers. Op deze plaats articuleert de naviculare. Dit facet ontbreekt bij de andere katachtigen, zodat het hielbeen mede op grond daarvan kon worden gedetermineerd als Homotherium cf latidens.
Het bedoelde facet is op de tekening van Ballesio aangeduid met de letter n.

Voorkomen en leefwijze van Homotherium.
De Homotherium was een grote sabeltandtijger, die de afmetingen van een leeuw kon bereiken. Hij leefde tussen 3 miljoen jaar en 0,5 miljoen jaar geleden, en werd in Europa en Azië vertegenwoordigd door de soort Homotherium latidens (Owen)*). Een nagenoeg compleet skelet van deze diersoort werd gevonden in de klassieke Vroeg Pleistocene vindplaats Senèze (Fr.), waar het uit Villafranchien afzettingen is opgegraven. Dit skelet werd in detail beschreven door Ballesio (1963).

In het prachtige boek The Big Cats and their fossil relatives geeft A. Turner een beschrijving over voorkomen en leefwijze van katachtigen, waaronder ook  Homotherium. Daarin wordt op grond van reconstructies welke onder andere zijn gebaseerd op het in Senèze gevonden skelet uiteengezet, dat de Homotherium een slank, maar toch krachtig dier moet zijn geweest, met een korte staart en voor katachtigen hoge poten. De voorpoten zouden zelfs hoger zijn geweest dan de achterpoten, wat het dier een merkwaardig aanzien gaf, vergelijkbaar met een hyena. Dat zou er op kunnen duiden dat het lange afstandjagers waren. (Turner, 1996)

het beschreven hielbeen
De sabeltandtijger Homotherium latidens in Nederland
Misschien wel het meest opvallend aan dit dier waren de gigantische bovenkaaks-hoektanden, die wel 15 cm lang konden worden. Deze tanden waren zijdelings sterk afgeplat met scherpe randen, welke voorzien waren van kartels en waardoor een soort kruising tussen mes en zaag ontstond. Met deze tanden konden grote dodelijke wonden worden toegebracht aan de prooidieren. Het voorkomen van fossielen van de Homotherium in dezelfde afzettingen als waarin ook grote hoeveelheden fossiele resten van jonge mammoeten zijn gevonden, heeft geleid tot de veronderstelling, dat deze sabeltandtijger was gespecialiseerd in de jacht op jonge mammoeten. Vergelijking met de hedendaagse jacht van leeuwen op jonge olifanten lijkt deze veronderstelling te onderbouwen. Daarbij vallen jonge dieren (2-4 jaar), welke zich mogelijk uit nieuwsgierigheid van de kudde verwijderd hebben, vaak ten prooi aan de leeuwen, terwijl de allerjongsten, de baby's wel de bescherming van de kudde genieten omdat zij zich daarvan niet verwijderen. (Turner, 1996)

*) In het verleden werd Homotherium in Europa onderverdeeld in een groot aantal ondersoorten, (waarvan H. crenatidens en H. latidens de bekendste zijn) voornamelijk gebaseerd op de afmetingen van de bovenkaaks hoektanden en mogelijk ook de lichaamsafmetingen. Tegenwoordig is men van mening dat deze verschillen in afmetingen binnen de normale waarden van het genus blijven, zodat al deze veronderstelde ondersoorten tot Homotherium latidens gerekend moeten worden. (Falconer; Turner 1996)

Homotherium in onze omgeving.
In 1962 is door D.A. Hooijer een onderkaak van een sabeltandtijger beschreven en gedetermineerd als Homotherium cf latidens. Deze onderkaak was enkele jaren daarvoor door de ZZ 8 van de gebroeders Schot uit Zierkzee opgevist uit de Oosterschelde (Hooijer, 1962). Op grond van verdere fossielenvondsten uit de Oosterschelde heeft men kunnen afleiden dat hij daar moet hebben geleefd met onder meer Mammuthus meridionalis (zuidelijke mammoet), Eucladoceros ctenoides (het grote hert van Tegelen), Dicerorhinus etruscus (etruskische neushoorn) en Equus bressanus. De onderkaak van Homotherium is voor zover ik kon nagaan het enige in Nederland gevonden fossiel van deze soort dat beschreven is. De vondst van het hielbeen lijkt er nu op te wijzen, ook de zuidelijke Noordzee tot zijn leefgebied hoorde, hetgeen in overeenstemming is  met de daar aangetroffen Vroeg Pleistocene fauna.
 
Tot slot
Fossielen van bovengenoemde diersoorten werden en worden nog steeds opgevist uit de Oosterschelde en zijn door diverse auteurs (o.a. Schreuder,1950; Hooijer,1957; Kortenbout vd Sluijs,1985) beschreven. Ook de jaarlijkse "Kor en Bot"- tochten leveren vele fossielen op, die onder meer door paleontologen van het Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis in Leiden worden bestudeerd. Sinds het moment waarop de onderkaak van Homotherium door de mosselkotter ZZ 8 werd opgevist en het moment dat het hielbeen van Homotherium door de Schelpenzuiger is opgezogen is een kleine 40 jaar verstreken. Hopelijk kunnen toekomstige vondsten ons meer leren over voorkomen en leefwijze van dit imposante dier in onze omgeving.
Graag spreek ik mijn dank uit aan Dick Mol en Klaas Post voor hun hulp bij het determineren van deze en andere vondsten en voor de adviezen welke zij in dit verband gaven.

C.J.G. van Hooijdonk
Rucphen.

literatuur:
AHRENS, H. J, 1996. Vissen naar de versteende dierenwereld van de Oosterschelde. Cranium, 13e jaargang, 2, 139-141.
Homotherium crenatidens FABRINI.
BOL.J, 1991, Sabeltandtijgers, Grondboor & Hamer, 1991 nr 4, 93-95.
BOL, J, 1997, Een sabeltandtijger uit Pickermi. Cranium, 14e jaargang nr 2 blz 78-82
BOSSCHA ERDBRINK,D. P, 1984. Carnivora uit het Pleistoceen van Nederland. Cranium , 1e jaargang nr 2 blz 66-98
DREES, M, 1986, Kritische kanttekeningen bij de naam " zwarte bottenfauna". Cranium 3e jaargang nr 2 blz 103-120.
Ebbing, J.H.J, Laban, C. Frantsen,P.J en Nederlof, H.P, Geologische kaart,
Kaartblad Rabsbank, 1992.
HOOIJER, D.A, The Sabre-toothed cat Homotherium found in the Netherlands. Lutra,Vol. 4, 1962, 24-26.
KORTENBOUT van der SLUIJS, G, 1985, botten uit de Oosterschelde, Cranium, 2e jaargang 1, 9-10.
MOL, D. en VOS, J. DE, 1995, Korren op de Oosterschelde, Een zoogdierpaleontoloog als visser en wat de fossielen van de Oosterschelde ons vertellen. Grondboor & Hamer jaargang 49 nr 3/4 blz 57-61.
TURNER, A.en MAURICIO, A, 1997, The big Cats en their fossil relatives,
1-234
DAWKINS, B and SANDFORD, A,1866 t/m 1872, The British Pleistocene Mammalia Vol I, The British Pleistocene Felidae, pp 184-192.

Verder lezen over de geologie en de fossielen van de Noordzee en de Oosterschelde:
MOL, D 1991, Het IJstijdlandschap van de zuidelijke Noordzee, Grondboor & Hamer, 9 - 14.
MOL, D en VOS, J. DE, 1995, De hyena uit de Oosterschelde, Grondboor & Hamer, 139-149
KORTENBOUT VAN DER SLUIJS, G, 1983, De resten van Zoogdieren uit de Noordzee, Grondboor & Hamer, 4-7.
ESSEN, H van, en Mol D, 1996, Plio - Pleistocene proboscideans from the Southern Bight of the North Sea and the Eastern Scheldt, The Netherlands
The proboscidea ,Evolution and paleoecology of Elephants and their Relatives
213-224
Kolfschoten Th. van, en Laban C, 1995, Pleistocene terrestrial mammal faunas from the North Sea, Med. Rijks Geologische Dienst, 52,135 -151.
Laban C, 1984, Geologie van het Kwartair in de Zuidelijke Bocht van de Noordzee, Med. Werkgroep Tertiaire en Kwartaire Geologie, 139-154.
VEEN, J van, 1998, Kor en Bot en de muizenbuis - De vangst van de eerste resten van kleine zoogdieren uit het Tiglien van de Oosterschelde, Cranium 21-29.

Afbeelding Homotherium sp.: C.H.Douglas, uit National History Notebook 5, 1981, Overgenomen met toestemming van het Canadian Museum of Nature, Ottawa.
Afbeeldingen Homotherium latidens van Mauricio Antón uit The Big Cats and their fossil relatives
Roofdierfossielen
Leden van de orde Carnivora (vleeseters), en dus ook de sabeltandtijgers, bekleden een plaats aan de top van de voedselketen. Als voedsel gebruiken zij andere dieren, zoals planteneters, en daarom is hun voorkomen veel minder talrijk dan dat van hun prooidieren. Men heeft het aantal prooidieren per vleeseter wel eens geschat op 40. Daarbij komt nog, dat vele planteneters in groepsverband leven, terwijl de vleeseters vaak solitair plachten te leven, zodat de kans op het vinden van fossiele resten van vleeseters vele malen kleiner is. (Bosscha Erdbrink, 1984)
Als je dan bedenkt, dat de kans dat de overblijfselen van een gestorven dier fossiliseren op zich al uitermate klein is, dan kan men zich wel voorstellen, dat een vondst van een fossiel van een vleeseter altijd een zeldzaamheid is. En als die vleeseter dan ook nog een sabeltandtijger blijkt te zijn, dan mag de vinder zich helemaal gelukkig prijzen!
Homotherium sp.(Charles Douglas, Canadian Museum of Nature)
-Homotherium-
reconstructie Homotherium (overgenomen uit The Big Cats and their fossil relatives Turner &Anton)
Free counter and web stats
Sitemap