Sabeltandtijgers
van
Rancho La Brea

Een wel heel bijzondere natuurlijke val, (zg “natural trap”) bevindt zich in Los Angeles: De teerputten van Rancho La Brea. Daar komt, als gevolg van geologische processen, een dikke, teerachtige olie, naar het oppervlak. De  teer baant zich een weg naar de oppervlakte door de pleistocene aardlagen heen. Op lagere delen van het aardoppervlak ontstaan de zogenaamde teerputten. Dit unieke geologische proces duurt tot de dag van vandaag nog voort.

De teerputten van Rancho La Brea
Een zeer prominente plaats in de fauna van de teerputten en buitenproportioneel ten opzichte van alle andere bekende vindplaatsen, wordt ingenomen door carnivoren. Daar waar de carnivoren in normale situaties slechts een klein percentage van de totale fauna uitmaken (minder dan 5 %) bedraagt dat percentage in Rancho la Brea bijna 90 % van de fauna. De meest voorkomende carnivoor was de zogenoemde Dire Wolf (Canis dirus), direct gevolgd door de sabeltandkat Smilodon fatalis, de coyote en de Amerikaanse leeuw, Panthera atrox.
Ook zijn er van de sabeltandkat Homotherium serum enkele fossielen in deze teerputten gevonden. Opmerkelijk genoeg betreft het slechts een tiental exemplaren.
Deze overvloed aan carnivoren heeft bij vele onderzoekers de vraag doen rijzen wat een dergelijke wanverhouding veroorzaakt kon hebben. Hoewel deze carnivoren uitstekende jagers waren, wordt niet uitgesloten dat zij, als de gelegenheid zich voordeed, zich voedden met aas, waarbij het verstrikt geraakte prooidier extra aantrekkingskracht had op hun belagers. Aangetrokken door gekrijs en geschreeuw van verstrikte en in paniek geraakte zoogdieren, als mammoeten, bisons en reuzengrondluiaarden, zullen veel meer dan gemiddeld carnivoren op deze prooien afgekomen zijn.

Het gebied waarin de teerputten liggen is tegenwoordig uitgeroepen tot natuurpark, waarin ook het George C. Page Museum ligt. Dit museum is speciaal gewijd aan de geologie, de flora en de fauna van de teerputten. In put 91 worden nog steeds opgravingen verricht onder het oog van studenten en museumpubliek. Door de enorme hoeveelheid, meer dan 165.000 stuks, goed geconserveerde resten van de sabeltandkat Smilodon fatalis zijn de teerputten van Rancho La Brea wereldvermaard geworden. Het museum aan de Wilshire Boulevard in Los Angeles trekt dan ook jaarlijks vele duizenden bezoekers. De Smilodon is daarmee, na de mammoet tot één van de bekendste pleistocene zoogdieren geworden.
Tijdens het Laat-Pleistoceen waren deze teerputten bedekt met een laagje water, zand of bladeren, die het gevaar uitstekend camoufleerden. Nauwelijks als gevaarlijk ingeschat door de pleistocene zoogdieren, vormden de teerpoelen een verraderlijke val waaruit alleen de allersterkste en gezonde dieren konden ontsnappen. Eenmaal verstrikt in de stroperige teer kwamen dieren als mammoeten, bisons, paarden en reuzengrondluiaarden om van honger en uitputting. Soms vormden ze een gemakkelijke prooi voor de roofdieren, die vervolgens zelf in de teer verstrikt konden raken.
Verstrikt in de teer
Dit geologische proces, waardoor de teerachtige olie naar de oppervlakte sijpelt duurt al 38.000 jaar en gaat tot op de dag van vandaag door. Omdat de resten in de teermassa van de buitenlucht afgesloten werden, zijn ze goed geconserveerd en bewaard gebleven.


Het fossilisatieproces
Onderzoek
De eerste systematische opgravingen en onderzoekingen, werden tussen 1913 en 1915 georganiseerd en uitgevoerd door het Natural History Museum of Los Angeles County. Sindsdien zijn verschillende teerputten uitgegraven, waarbij een buitengewoon grote hoeveelheid van meer dan 1 miljoen botten, tanden en kiezen zijn opgegraven. Deze hebben toebehoord aan zo'n 10.000 verschillende dieren, die in een tijdspanne van ruim 30.000 jaren zijn omgekomen. (dat zou neerkomen op één dier per drie jaar, hetgeen eigenlijk nog wel mee viel). Bij die opgravingen zijn minstens 231 soorten vertebraten (gewervelde dieren) gevonden, waaronder vele zoogdieren en vogels. Daarnaast werden grote hoeveelheden plantensoorten en resten van ongewervelde dieren gevonden. De ouderdom van al deze fossielen is door koolstof 14 radiometrische datering bepaald op 38.000 tot 12.000 jaar. De fossielen uit de teerputten zijn door inwerking van de teer donkerbruin gekleurd.
schedel Smilodon fatalis
Smilodon fatalis
skelet Smilodon fatalis
Canis dirus
Columbus mammoet
Teksten met toestemming overgenomen uit "De sabeltandtijger uit de Noordzee"